Skip to content

Waarom de NPS en het KTO je klanten irriteren en je organisatie misleiden

Je stuurt een enquête. Tien vragen, een paar minuten, beloofd. De klant opent hem, ziet de vraag ‘Hoe waarschijnlijk is het dat je ons aanbeveelt aan anderen?’ en moet een cijfer geven van nul tot tien. Hij typt een zeven. Klikt op verzenden. En denkt: wat ga jij hier nu precies mee doen?

Goede vraag. Want wat doe jij ermee?

De NPS en het klassieke klanttevredenheidsonderzoek zijn de meest gebruikte methoden om te meten hoe klanten jouw organisatie ervaren. Ze zijn goedkoop, schaalbaar en leveren overzichtelijke rapportages op. Maar ze hebben een fundamenteel probleem dat zelden hardop wordt benoemd: in de Nederlandse B2B context meten ze systematisch het verkeerde, op de verkeerde manier, bij de verkeerde mensen.

Het culturele probleem: Nederlanders geven geen negens en tienen

De NPS is uitgevonden in Amerika. En dat is precies waar het probleem begint.

De methodiek rekent iedereen die een negen of tien geeft als promoter, als echte ambassadeur. Iedereen die een zeven of acht geeft, telt als passief tevreden. En wie een zes of lager geeft, geldt als criticaster.

In Amerika werkt dat redelijk. Amerikanen zijn gewend om hoge cijfers te geven als ze tevreden zijn. Een negen of tien is daar een normaal antwoord op een positieve ervaring.

In Nederland is dat fundamenteel anders. Een Nederlander die een negen geeft, is niet gewoon tevreden. Hij is bijna buiten zinnen van enthousiasme. Een tien? Die reserveer je voor absolute perfectie, en die bestaat eigenlijk niet. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dit: Nederlanders scoren op beoordelingsschalen structureel lager dan Amerikanen, ook bij gelijke tevredenheid.

Maar er is nog een extra laag. Want binnen Nederland zijn er ook regionale cultuurverschillen die de NPS verder ondergraven.

Een nuchtere ondernemer uit Drenthe of Twente geeft je geen negen. Niet omdat hij niet tevreden is. Maar omdat hij geen negen geeft. Punt.

In het Noorden en Oosten van Nederland is nuchterheid een deugd. Je overdrijft niet. Je bent niet zo van de grote gebaren. Een zeven is een compliment. Een acht is uitzonderlijk. En een negen stuur je hooguit naar je moeder op haar verjaardag.

Als die nuchtere directeur in Assen of Almelo een zeven invult op jouw NPS, telt hij mee als passief tevreden. Als criticaster bijna. Terwijl hij in werkelijkheid zo tevreden is dat hij je al drie keer heeft aanbevolen bij zijn netwerk. De NPS ziet dat niet. De NPS registreert alleen zijn zeven en rekent hem weg als risico.

Het responsieprobleem: de klanten die je het meest nodig hebt, haken af

Dan is er nog het responsieprobleem. Want wie vult een enquête in?

Onderzoek naar responspatronen laat consistent hetzelfde zien: de klanten die reageren zijn ofwel zeer tevreden ofwel zeer ontevreden. De grote middengroep, de klanten die matig tevreden zijn, die twijfelen, die overwegen om de markt te verkennen, reageert het minst.

Dat is precies de groep die voor jouw klantbehoud het meest relevant is. De ambassadeur die een tien geeft, vertrekt toch niet. De felle criticaster die een twee geeft, is al weg of bijna weg. Maar de klant die een zeven overweegt en de enquête uiteindelijk niet invult, die staat op het punt een beslissing te nemen waarvan jij niet eens weet dat hij hem aan het maken is.

Je mist hem. Niet door nalatigheid. Maar door de aard van de methode.

Het irritatieprobleem: feedback vragen zonder iets te doen

Er is een derde probleem, en dit is misschien wel het meest onderschatte. Klanten die een enquête invullen, verwachten dat er iets mee gebeurt. Niet een geautomatiseerde bedankmail. Niet een dashboard bij jouw marketingafdeling. Maar een zichtbare verandering, een terugkoppeling, een teken dat hun tijd niet voor niets was.

In de praktijk gebeurt dat zelden. De enquête wordt verstuurd, de data wordt verzameld, het rapport wordt gepresenteerd in een MT-vergadering en vervolgens verdwijnt het in een map. De klant hoort niets meer. En de volgende keer dat er een enquête in zijn mailbox belandt, klikt hij hem weg.

Klanten die feedback geven en er nooit iets van terugzien, stoppen met feedback geven. En daarna stoppen ze soms met klant te zijn.

Dit fenomeen heet onderzoeksmoeheid, en het is wijdverspreid in B2B. Klanten worden bestookt met enquêtes, van hun dienstverleners, van hun leveranciers, van brancheorganisaties, van iedereen die een account heeft aangemaakt. De gemiddelde respons op B2B klantenquêtes daalt al jaren. Niet omdat klanten niets te zeggen hebben. Maar omdat ze er het vertrouwen in zijn verloren dat het zin heeft.

Het schaalprobleem: in B2B heb je geen duizenden respondenten

De NPS is ontworpen voor grote aantallen. Als je honderdduizend consumenten bevraagt, middelt de culturele ruis eruit, compenseren de uitschieters elkaar en krijg je een statistisch betrouwbaar beeld.

Maar in B2B heb je geen honderdduizend klanten. Je hebt er vijftig. Of twintig. Of misschien tien hele grote. En als jij die tien klanten een enquête stuurt en er vijf reageren, waarvan drie een zeven geven en twee een acht, wat zegt dat dan precies?

Het zegt dat je een NPS van nul hebt, want geen van de respondenten gaf een negen of tien. Maar het zegt niets over waarom ze een zeven gaven. Het zegt niets over welke van die vijf klanten overwegen om te vertrekken. Het zegt niets over wat er zou moeten veranderen om de relatie te versterken.

Een getal zonder context is geen inzicht. Het is een illusie van inzicht.

Wat de methode wel kan, en wat niet

Dit is geen pleidooi om nooit meer een enquête te sturen. Er zijn situaties waarin een klanttevredenheidsonderzoek zinvol is: als nulmeting, als benchmark over tijd, als signaal dat er ergens in de organisatie iets structureel mis is. Als je honderd klanten hebt en je wil weten of de gemiddelde tevredenheid dit jaar hoger of lager is dan vorig jaar, geeft een enquête je dat beeld.

Maar wat een enquête niet geeft, is begrip. Het geeft geen antwoord op de vraag waarom een klant een zeven geeft in plaats van een negen. Het vertelt je niet welke drie van je twintig klanten op het punt staan de markt te verkennen. En het vertelt je al helemaal niet wat er in de hoofden leeft van de mensen die de enquête niet hebben ingevuld.

  •  Een enquête meet de oppervlakte. Een gesprek meet de diepte.
  •  Een enquête geeft je een gemiddelde. Een gesprek geeft je een beeld per klant.
  •  Een enquête wordt ingevuld door wie reageert. Een gesprek voer je met wie ertoe doet.
  •  Een enquête vraagt om een cijfer. Een gesprek vraagt om een mening.

En een mening, eerlijk gegeven in een veilig gesprek met iemand die er los van staat, is het enige wat je echt iets vertelt.

Wat Cooper & Rothman anders doet

Cooper & Rothman voert geen enquêtes. We versturen geen NPS formulieren. We bellen niet met een lijst standaardvragen.

We gaan naar de klant toe. We voeren een persoonlijk, onafhankelijk gesprek, met iemand die geen belang heeft bij een positief resultaat en geen relatie heeft met de dienstverlener. En we vragen wat die klant echt vindt. Niet wat hij beleefd als antwoord geeft op een schaal van nul tot tien. Maar wat hij werkelijk ervaart in de samenwerking, wat er beter zou kunnen en hoe de relatie er voor hem echt bij staat.

Die informatie bereikt de opdrachtgever niet via een dashboard, maar via een auditrapport met concrete bevindingen over alle gevoerde gesprekken. Gesorteerd op urgentie. Uitgedrukt in heldere signaalkleuren. Bruikbaar als intern mandaatinstrument.

En voor klanten in het Noorden en Oosten van Nederland, die nuchtere directeuren die nooit een negen geven maar wel drie jaar lang trouwe klant zijn, werkt dat bijzonder goed. Want zij praten in een goed gesprek liever dan dat ze een formulier invullen. En in een gesprek zeggen ze precies wat ze bedoelen.

Wat jouw klanten echt vinden, horen ze nooit van je eigen mensen.

Benieuwd wat jouw klanten je niet vertellen?

Plan een gesprek

Help een collega verder met deze inzichten:

Back To Top
Your Cart

Your cart is empty.